TU Delft heeft in opdracht van Nationaal Coördinator Groningen (NCG) onderzoek gedaan naar de oorzaken van schades aan woningen en gebouwen in en aan de randen van het aardbevingsgebied. Het onderzoek richtte zich niet alleen op aardbevingen, maar ook op andere mogelijke oorzaken zoals zoutwinning of gasopslag.

TU Delft is in november 2016 gestart met het onderzoek. Op 12 juli 2018 zijn de resultaten bekend gemaakt.

Doel van het onderzoek

Het doel van het onderzoek was om algemene uitspraken te doen over mogelijke oorzaken van het hoge aantal schades in Groningen. Het onderzoek richtte zich op mogelijke oorzaken van schades aan gebouwen. Voorbeelden van oorzaken zijn trillingen, hemelwater, diepe of ondiepe bodemdaling, peilaanpassingen, verweking, zettingen, bodemopbouw en bodemsamenstelling. Ook is bekeken wat hierin de rol is van mijnbouwactiviteiten.

Onderzoeksvraag

TU Delft heeft de volgende onderzoeksvraag van NCG meegekregen: 'Wat is de (meest waarschijnlijke) oorzaak of wat zijn (de meest waarschijnlijke) oorzaken van de gemelde schades in het onderzoeksgebied?’

Selecteren en bestuderen van panden

Voor het onderzoek zijn schades aan uiteenlopende typen panden bekeken in verschillende gebieden in Groningen. Hiervoor zijn 69 panden geselecteerd en bestudeerd. Bestaande data en schaderapporten zijn gebruikt om de panden te bestuderen. Daarnaast heeft TU Delft onder andere informatie gebruikt over de ondergrond en waterstanden en data van sensoren. Dit heeft geleid tot algemene beelden over schades in het gebied.

Kaart met onderzoeksgebied TU Delft onderzoek oorzaken schade

Onderzoeksgebieden

Het onderzoeksgebied betrof het aardbevingsgebied en de randen rond de voormalige schadecontour:

  • De Marne en omgeving
  • Zuidhorn en omgeving
  • Groningen en omgeving
  • Veendam omgeving
  • Winschoten en omgeving
  • Woldendorp en omgeving
  • Bedum en omgeving
  • Slochteren en omgeving
  • 't Zandt en omgeving

Onafhankelijk onderzoek

Het was een onafhankelijk onderzoek. Een team van deskundigen voerde het onderzoek uit onder leiding van professors Jan Rots en Piet van Staalduinen van TU Delft. NCG heeft een begeleidingsgroep en klankbordgroep ingesteld die advies gaven.

Samenstelling begeleidingsgroep:

  • Vertegenwoordigers van maatschappelijke en bestuurlijke partijen.
  • Trillingenexpert en een Bouwkundig expert
  • Nedmag
  • AkzoNobel
  • Gasunie
  • Technische Commissie Bodembeweging
  • Commissie Bodemdaling Groningen
  • Kerncentrum Advies Funderingen
  • LTO Noord-Groningen
  • Ministerie van Economische Zaken
  • NAM

Samenstelling klankbordgroep:

Vertegenwoordigers uit het gebied: Woldendorp, Onderdendam, Niehove, Oldehove, Grijpskerk, Veenkoloniën en Scheemda.

Uitkomsten

Het onderzoek laat onder andere zien dat bodemtrillingen, bijvoorbeeld door aardbevingen, een trigger kunnen zijn voor het ontstaan van schade. Het verschilt per gebied in hoeverre schade kan worden toegerekend aan aardbevingen. Schade door bevingen blijkt vrijwel altijd samen te hangen met andere onderliggende oorzaken. Een mate van voorbelasting en/of initiële schade blijken zeer belangrijke omstandigheden te zijn voor het ontstaan of groeien van zichtbare scheuren door een trilling. Die schade kan al zichtbaar worden bij een geringe trillingssnelheid.

Een samenvatting en het volledige onderzoeksrapport zijn te vinden op de website van de TU Delft.

Vervolg

De Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen is sinds maart 2018 verantwoordelijk voor de afhandeling van schade door aardbevingen als gevolg van de gaswinning. Sinds de komst van deze organisatie heeft NCG geen rol meer in de schadeafhandeling. Daarom heeft NCG het onderzoeksrapport van TU Delft overhandigd aan de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen en minister Wiebes van Economische Zaken en Klimaat.